Artefacten uit onze vaderlandse geschiedenis.

Het enige en waarachtige verhaal over mijn zoektocht naar artefacten uit onze vaderlandse geschiedenis.

Onderstaand verhaal is een samenvatting van de onderzoekingen van 2003 t/m 2011, zoals beschreven op mijn website 3xploeg.com. aangevuld met recente ontwikkelingen en onderzoeken.

De jeugdjaren

Als kleine Haagse jongen was ik vaak in Delft te vinden. Delft was vanuit de Haags-Rijswijkse grens waaraan wij woonden vrij eenvoudig te bereiken via de Lange Kleyweg, waar ik ook nog op school heb gezeten. De route langs de Lange Kleyweg, het kipbruggetje (dubbele hangbrug), de Calvéfabriek en de stank van de Koninklijke Gist en Spiritusfabrieken, langs de molen naar de Binnenwatersloot. Bij de patattent kon je softijs kopen per kwartliter in een plastic drankbekertje. Het was een regelmatige tocht op zondagen. In Delft zelf was veel te doen en te zien, buiten het onvermijdelijk struikelen over de toeristen. Een van mijn geliefde plekjes was de Prinsenhof, waar je, je vingers kon steken in twee gaten in de muur. Die gaten waren kogelgaten veroorzaakt door de kogelinslag ten tijde van de moord op de vader des vaderlands. Tenminste zo gaan de verhalen. Wie een beetje logica in zich heeft, vind die kogelgaten toch wel erg laag zitten in verhouding met de hoogte van de wonden van de Prins van Oranje. Ik herinner me uit deze bezoeken een plek uit het gebouw die me lang heeft bezig gehouden. Vlak voor de werkkamer van de Prins van Oranje, tegenover een deur naar een grotere zaal hing namelijk een klein schilderij. Dit schilderij boeide mij hevig, ik kon mij er eenvoudigweg niet van losscheuren .

Kipbruggetje bij Calvé te Delft

Als ik graaf in mijn geheugen stelde het een soort van keukenruimte voor met rechts een schouw en op de achtergrond een muur met raam of deur waardoor natuurlijk licht naar binnen kwam. Lang heb ik naar dit schilderij gekeken. Niet om de schouw of raam dan wel deur, maar door de wijze van aankijken van een op dit werk geschilderde vrouw. Het was bijna alsof we contact hadden, lange tijd heb ik versteend in haar ogen staan kijken. Totdat ik dacht dat, dit te zeer ging opvallen. Ik ging verder naar de werkkamer van de prins en keek uit het raam. Door het zien van de positie kon ik altijd weer terug naar het schilderij. Ik wist immers nu precies waar het hing. Op de terugtocht uit de kamer er nog eens langdurig naar staan kijken. Later ben ik er nog eens terug geweest, maar aan de muur hing niets meer. Het leek ook wel of er nooit iets had gehangen. Ik heb het nooit meer terug gezien, al onderneem ik nog wel eens pogingen in het achterhalen van dit schilderij.

Mijn jeugd ging voorbij, zoals jeugden dat helaas plegen te doen. Ik verhuisde op de leeftijd van 21 jaar naar omgeving Eindhoven. Cultureel gezien een dood gebied, vergelijkbaar met gaan zwemmen in de Sahara. Met nieuw verworven vriendinnen kwam het dan ook regelmatig voor dat ik naar Zuid Holland terug ging. Zo’n beetje alle musea werden afgelopen en uiteraard werd het Prinsenhof niet vergeten. Nog later ging ik steeds vaker boeken kopen, over Den Haag, over de geschiedenis, en alle sloopbewegingen van overijverige wethouders en projectontwikkelaars. Stukje bij beetje werd ongeveer alles uit mijn eigen leven afgebroken. Het ziekenhuis (Zuidwal) waar ik geboren ben en drie van de vier huizen waar ik in Den Haag gewoond heb. Ik weet niet of dat uiteindelijk het startsignaal is geweest, maar steeds intenser begon ik te zoeken naar artefacten van 200 jaar Ploeg in Nederland en passant de geschiedenis van de stad en wijde omgeving meenemend.

Ledeganck

Op enig moment raakte ik in het bezit van het boek Physiologie van een Hagenaar uit 1843, geschreven door een Hagenaar, achter wie volgens velen Ledeganck schuil ging. Vroeger hadden ze ook humor maar een specifieke passage uit het boek liet mij niet meer los.

 

” Die onderste stat es jammerlike”
zo bespreekt de schrijver , onder vele klanken, van ach en wee de begane grond van het Mauritshuis in Den Haag. Toen en ook nu een museum. Alle rariteiten in koninklijk bezit werden hier tentoongesteld op de onderste verdieping. De bovenverdieping bevatte destijds de schilderijencollectie. Onder al die rariteiten oder andere het hemd van Willem III, speeltuig van tsaar Peter en de “pistoolen van Balthasar Gerards”. Hé denk ik dan. De pistolen van Balthasar Gerards?  De pistolen van Balthasar, die heb ik nog nooit gezien. Hoe graag zou ik deze eens aanschouwen. Aanschouwen, bij voorkeur op de plek waar de kogels uit deze pistoolen zo noodlottig de geschiedenis van de Lage Landen schreven. Aldus maar eens gemaild met de toenmalige bezitter ” Het Mauritshuis”. De conservator mailde mij een alleraardigst berichtje terug, maar kon mij niet verder helpen. Ooit was de boel overgedaan en uiteindelijk beland in het Rijksmuseum.

Zo begon stiekem een zoektocht die ergens in 2003 begon en uiteindelijk voortduurde tot juli 2012. Er zijn vele mailwisselingen, briefwisselingen en bezoeken her en der aan leeszalen voor nodig geweest om uiteindelijk wat licht in de duisternis te scheppen. Of het enige en werkelijke verhaal is, ach wat is waarheid. Ik ben er echter van overtuigd dat we niet veel dichter bij de waarheid kunnen komen dan zoals ik nu ga ontrollen.

Rijksmuseum

We beginnen in 2004 als het Rijks op een van mijn mails als volgt reageert.
De pistolen van Balthasar Gerards bevinden zich voor zover ons bekend niet in de collectie van het Rijksmuseum. Ik (conservator Rijksmuseum) weet ook geen andere collectie in Nederland waar deze zich wel zouden kunnen bevinden. In de negentiende eeuw was er een ware rage in het verzamelen en presenteren van voorwerpen die een historische herkomst zouden hebben, maar vaak niet de juiste ‘papieren’ hadden. In de twintigste eeuw zijn veel van deze voorwerpen ontmaskerd. Mogelijk is dat in dit geval ook zo en is de toeschrijving aan Gerards verloren gegaan. Mocht u over meer informatie beschikken over deze pistolen dan houd ik mij aanbevolen.

Nou veel meer informatie had ik niet, maar ik heb het gedurende de jaren 2004 tot en met 2006 geprobeerd bijeen te brengen. Waarom? Wel er hadden in het koninklijk kabinet pistoolen gelegen (die wellicht zouden hebben toebehoord aan…) Maar of dat eigendom nu wel of niet bewezen is , met of zonder de juiste papieren,  een ding is wel zeker. Er hebben daar twee “pistoolen” gelegen, waar zijn die gebleven?
Zo komen we in een splitsing van de vraag in de volgende tweevragen. Wat is er in 1584 gebeurd met de moordwapens? Wat is er gebeurd met de Pistoolen die in de 19e eeuw zijn tentoongesteld en waarvan men aannam dat deze van Balthasar waren?

Een vraag die niet alleen mij bezig hield, door de jaren heen zijn er meerdere mensen geweest. Er komt weer een mailtje van het Rijks naar aanleiding van een vraag.

In de korte handleiding ter bezichtiging der verzameling van zeldzaamheden in het koninklijk kabinet, met een opsomming van 744 nrs heb ik (conservator) de pistolen niet kunnen vinden. Dit maakt de vraag of de pistolen destijds daadwerkelijk overgebracht zijn naar het Nederlandsch Museum voor Geschiedenis en Kunst minder zeker. In deze beperkte catalogus ontbreekt echter een klein aantal nummers. Mocht u over een andere bronvermelding beschikken dan is dat uiteraard interessant en levert dit wellicht nieuwe inzichten op.
Navraag bij mijn collega’s van het Legermuseum in Delft heeft ook geen aanvullende informatie opgeleverd. Een ieder is er overigens van overtuigd dat mochten deze pistolen er nog zijn, ze dan uiteraard een plek zouden verdienen in het Prinsenhof te Delft. Het grote historische belang gecombineerd met het feit dat in de grote musea geen bekendheid is met het nog bestaan van deze pistolen, geeft echter weinig hoop. Maar wie weet.

O, hoe mooi zou het zijn, als …

Er volgt zelfs een telefoongesprek met het Rijks.
In dit telefoongesprek met het Rijks werd wel weer gewag gemaakt van pistolen maar die zouden Willem van Oranje zelf hebben toebehoord. Ook schijnt er compleet met lood (van de kogel??) een kleed te zijn dat Willem van Oranje droeg op het moment dat hij Gerards tegen het lijf liep. (Of was dit nu weer het hemd van Willem III waarvan gewag wordt gemaakt).Volgens mijn bron in Amsterdam is het ook zo dat pistolen in die tijd een kostbaar bezit waren.

Je zou dus aan kunnen nemen dat Gerards die zelf heeft meegenomen tijdens zijn vlucht, die overigens niet lang duurde, voor hij bij de stadsmuur werd overmeesterd. Ze hebben hem later flink te pakken genomen in het “Steen” en nog later op de markt dat is bekend. Volgens mij is het aannemelijk te maken dat hij de of het leeggeschoten pisto(o)l(en) heeft gelaten waar ze waren en dat ze zo in koninklijk bezit kwamen. Misschien is er iets geschreven toen de verzameling in koninklijk bezit werd overgedragen aan het Mauritshuis? In ieder geval zal het in Amsterdam makkelijker speuren zijn als er een opgave is van materialen die van het Mauritshuis naar Amsterdam zijn gegaan. Kortom de kans dat ze zomaar even van de plank gepakt kunnen worden is verkeken, maar er zijn nog vragen en er is nog hoop. Laten we eerst zoeken naar de antwoorden op de talloze vragen en vaagheden in deze alinea. De toedracht van de moord en de vlucht en een ingang naar de gegevens rondom het vertrek van de collectie in Den Haag.

De toedracht van de moord

Over de toedracht van de moord is veel geschreven, heel veel geschreven. In detail zijn bijna alle verhalen verschillend. Het slachtoffer en de dader zijn in alle omstandigheden nog wel gelijk. Ook over de vlucht van Balthasar is veel geschreven en ook in vele variaties. Waar het Rijks vind dat pistolen een kostbaar bezit zijn en waarschijnlijk meegenomen, ach het is een variant. Meer opgang vind dat hij slechts het ongebruikte pistool heeft meegenomen en het andere heeft achtergelaten. Toch zijn er ook geschiedenissen te vinden waarin hij beide achterlaat. Met schilderijen en tekeningen is het al evenzo. Dan weer staat Balthasar afgebeeld met een enkel pistool en dan weer met beide. Een welhaast moeilijk te ontwarren knoop.

In augustus 2004 ontvang ik van het Rijks een envelop met een overdruk.
een kopie uit een boek: Antieke vuurwapens door Ir. R.F.W. Kempers. In dit boek wordt gewag gemaakt van de pistolen van Balthasar Gerards. Volgens de schrijver is het aannemelijk dat de pistolen zg. Radslotwapens waren. Een der pistolen aldus de schrijver heeft nog geruime tijd in het voormalige Nederlandse museum voor Geschiedenis en kunst te Den Haag gelegen. Volgens de schrijver gaat het hier maar om één pistool. B.G. zou namelijk het ene pistool op de vlucht hebben weggegooid en het andere is nooit boven water gekomen. Ook maakt Kempers er gewag van dat de moordaanslag maar met één pistool is geschiedt. Dwz. B.G. heeft maar een van zijn pistolen gebruikt.

Naar de wetten der logica (althans mijn logica)  is dit dus ook het pistool dat door hem is achter gelaten en is teruggevonden. Over het wapen uit het museum is Kempers kort. Dit historisch zo belangrijke wapen is later helaas verloren gegaan. Een droevig einde dus van de speurtocht. Nee nog niet. Is er dan nergens een spoor van het pistool bewaard gebleven? Het verzenden vanuit het Mauritshuis, de ontvangst in Amsterdam, De eventuele notitie die gewag maakt van het verloren gaan. Wat waren de bronnen van Kempers?

Een vorstelijke verzameling

Op de website van cultuurwijs vind ik nog het volgende:
cultuurwijs.nl . http://www.cultuurwijs.nl/cultuurwijs.nl/cultuurwijs.nl/i000267.html

Een vorstelijke verzameling
‘Het hemd van Willem III, het gebed des Heeren in miniatuur, het kleed van de Zwijger, de oorlogsrusting van de Ruiter […], speeltuig van Czaar Peter, drinkhorens uit China, printjes uit China, de pistolen van Balthasar Gerards [].’ Aan het eind van de 19de eeuw werd de enorme diversiteit aan voorwerpen in de collectie van het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden openlijk bekritiseerd. De collectie, die grotendeels voortkwam uit de voormalige stadhouderlijke verzamelingen, ademde de geest van voorbije tijden. Een andere kijk op verzamelen zorgde ervoor dat de collectie van het Kabinet van Zeldzaamheden na 1875 verdeeld raakte over bestaande musea.

Verscheidenheid
Door alle aanwinsten ontstond een groot ruimtegebrek aan het Buitenhof. Toen het Rijk in 1820 het Mauritshuis in Den Haag aankocht, werd de benedenverdieping aan het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden toegewezen. Op de bovenverdieping werd het Koninklijk Kabinet van Schilderijen, eveneens in 1816 opgericht, gehuisvest. Bij deze gelegenheid kreeg predikant R.P. van de Kasteele, in 1816 aangesteld als directeur van het Kabinet van Zeldzaamheden, de kans om de collectie opnieuw in te delen. De beide eerste zalen wijdde hij aan China, dan volgde een grote zaal met Japanse voorwerpen, in het vierde vertrek was elk werelddeel vertegenwoordigd, terwijl in de vijfde ruimte voorwerpen werden ondergebracht die vooral op Nederland betrekking hadden.

De Handleiding tot de bezigtiging van het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden die Van de Kasteele in 1824 uitbrengt, toont aan hoe rijk de verzameling was, maar ook hoe enorm divers. Door de indeling naar werelddelen had Van de Kasteele wel enige orde proberen aan te brengen in de gigantische verscheidenheid van voorwerpen. Maar echt selecteren deed hij niet. Rijp en groen werden door hem verzameld en kregen vaak naast elkaar een plek in het Kabinet. In de ongelijksoortigheid die daarmee ontstond, valt iets te bespeuren van de manier waarop tot aan het begin van de 18de eeuw werd verzameld.

Scheiding
In zijn beroemde artikel ‘Holland op zijn smalst’, in De Gids van 1873 beschrijft Victor de Stuers het museum als een zonderlinge uitdragerij, een pandjeshuis, dat in de benedenverdieping aan bederf is overgegeven. In 1875 verlaat de collectie het Mauritshuis. Belangrijk hierbij is de scheiding die wordt aangebracht tussen objecten die betrekking hadden op de geschiedenis van Nederland en volkenkundige voorwerpen. De eerste komen uiteindelijk terecht in het Rijksmuseum Amsterdam op de afdelingen ‘Nederlandse Geschiedenis’ en ‘Beeldhouwkunst en kunstnijverheid’. De volkenkundige voorwerpen komen na enige omzwervingen uiteindelijk terecht in het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden.
Ook bij andere instellingen worden voorwerpen uit de collectie ondergebracht. In 1883 houdt het Kabinet van Zeldzaamheden officieel op te bestaan.

(Hanneke Prins)

Kolders

In een artikel over kolders komen Evelien Sintnicolaas en Harm Stevens nog even terug op de Pistolen van Balthasar Gerards.

Kolders. Van modieus militair kledingstuk tot slagveldreliek*
Eveline Sint Nicolaas en Harm Stevens

In 1815 keerden de kostuums via Berlijn in Nederland terug, waar ze werden opgenomen in het in het Mauritshuis gevestigde Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden. In 1824 werd de eerste catalogus uitgegeven, geschreven door de directeur R.P. van de Kasteele. De tekst bij het eerste nummer luidt: Het gewaad hetwelk men beweerd door Z.D.H. Willem I te zijn gedragen, den dag van den moord door Balthazar Gerards- een daarbij behoorend Horologie en Geuzenpenning, benevens de zinkroeren, het stukje lood en de kopij van het vonnis des moordenaars. Hieronder schreef Van de Kasteele: Deze voorwerpen, afkomstig uit het Kabinet van Z.D.H. Prins Willem V, werden na de omwenteling van 1795 te Londen, vervolgens tot 1815 te Berlin bewaard, en daarna door Z.M. Willem I aan het Museum ter plaatsing toegezonden.
Van de Kasteele heeft met deze beschrijving heel wat verwarring veroorzaakt. Met een zekere slordigheid werden de kledingstukken van de Friese Nassaus, inclusief de pistolen van Willem Frederik, bij elkaar geplaatst en geassocieerd met de dramatische dood van Willem van Oranje. De pistolen die in Leeuwarden nog van Willem Frederik waren geweest, waren in Den Haag gepromoveerd tot de moordwapens die Balthasar Gerards had gehanteerd. Zoals Bas Kist in 1995 schreef: Om het belang van de collecties als geheel te onderstrepen werden voorwerpen aan zo belangrijk mogelijke personen toegeschreven.  Uit het naschrift blijkt bovendien dat Van de Kasteele de meer recente herkomstgeschiedenis van de voorwerpen niet kende.

Het sluit in 2004 mijn zoektocht voorlopig af. Het is niet duidelijk waar de pistolen van Balthasar Gerards zijn gebleven en de pistolen uit het Mauritshuis die aan hem toegeschreven waren, waren zeker niet van hem, maar van Willem Frederik.

Een eeuw strijd voor Nederlands cultureel erfgoed

In 2008 echter loop ik tegen een exemplaar aan van een eeuw strijd voor Nederlands cultureel erfgoed van F.J. Duparc (isbn 90 12 00840 9) (staatsuitgeverij, 1975)

Behalve de prachtig opengewerkte tekening van het rijksmuseum bevat dit boek ook in hoofdstuk 5 b een paragraaf gewijd aan de laatste jaren van het koninklijk kabinet der zeldzaamheden.

Oneerbiedig gezegd is de hele “bubs” onder de bezielende leiding van de Stuers na het Mauritshuis ondergebracht in het pand Lange Vijverberg in Den Haag. Hier is de door de Stuers aangestelde directeur bezig geweest met een catalogus en inventaris. Zijn eerste epistel werd met de grond gelijk gemaakt omdat de verzameling nogal slordig beschreven werd. (een kamer vol aardewerk). Later is er een betere beschrijving gemaakt en is de verzameling deels verhuisd naar Amsterdam en andere musea. Ook werd helaas door de Stuers een handeltje van verkoop en leen bedreven. Daarnaast werd op het Lange Vijverberg gruwelijk met de stukken omgegaan. Poten werden afgezaagd van kostbare Japanse tafeltjes etc.

Enig speurwerk en een mail, levert mij de overtuiging op dat de catalogus en inventarisatie in het bezit moet zijn van het nationaal archief. Ik snuffel op de website van het Rijks en vind http://www.rijksmuseum.nl/attachments/bulletin/BULLETIN_2006_03.pdf

Ik begrijp dat van de Kasteele in 1824 een inventaris heeft gemaakt en in 1874 van minister Heemskerk opdracht kreeg de collectie over te dragen. Ik moet nog even nazien of zijn zoon hem dan is opgevolgd. Dat van de Kasteele er ronduit gezegt met de pet naar heeft gegooid weet ik, maar nu begrijp ik definitief dat de “Pistolen van Balthasar” dus eigenlijk de pistolen zijn die in Friesland nog van Willem Frederik waren. Zijn deze pistolen fysiek dan in het Rijks aanwezig? Ja, blijkt. NG-NM-1109 is het inventarisnummer van de pistolen van Willem Frederik, te zien in de Philipsvleugel (Rijksmuseum) en op onze website.

De pistoolen

In 2008 sluit ik dan ook het verhaal op mijn website. De pistolen zijn terecht, al blijken ze dan niet van Balthasar Gerards te zijn geweest. Over wat er daadwerkelijk gebeurd is met de pistolen en uberhaupt wat er zich in 1584 afspeelde is genoeg geschreven. Helaas kun je er alle kanten mee uit en als je een kant kiest kun je noch bewijzen noch aannemelijk maken dat dit dan ook zo was. De 400 jaren kloof blijkt vooralsnog onoverbrugbaar.

Lang blijft het zo tot juli 2012. In de periode 2008- 2012 heb ik mij absoluut niet bezig gehouden met Willem van Oranje, de moord op hem, de wapens of anders. Ik niet maar anderen blijken nog steeds gegrepen door het verhaal en er wordt ruim 4 eeuwen na de dood van Willem de Zwijger een heus onderzoek gedaan met de techniek van heden. Meer dan de boute uitspraak dat Willem zijn laatste woorden nooit heeft gezegd omdat hij direct dood was heeft dit onderzoek niet opgeleverd.

Maar er zijn meer dingen, waarvan ik het naadje van de kous wil weten. Zo is er nog altijd de windroos op de Korte Vijverberg waar ook heel wat waar en onwaarheden over worden verteld. Juist dit verhaal, dat zich afspeelt op minder dan honderd meter van het Mauritshuis, de plek van het kabinet der Zeldzaamheden brengt mij naar de Koninklijke Bibliotheek. Als ik het boek dat ik hiervoor denk nodig te hebben reserveer, zie ik ook al snuffelend in de indexen dat de handleiding tot bezichtiging van het kabinet uit 1823 ook ter inzage is. Zowel de verkorte als de volledige handleiding reserveer ik direct.

Handleiding tot bezigtiging

Nu kom ik dus te weten, uit eerste hand, wat er allemaal te zien is geweest en hoe de verwarring kon ontstaan.
Letterlijk staat in het boekje.

Op bladzijde 125 lees ik
Kamer 5 Lessenaar 21
In lessenaar 21 een rok, broek, kolder, hemd en doek met bloed, benevens een hoed, een stukje lood, eenige stukjes been, twee zinkroeren, een kogeltje (elders vertoond, maar niet passende op een der zinkroeren), een antiek, op goud geëmailleerd , en waarschijnlijk te Regensburg vervaardigd, horologie, op de kas is het oordeel van Paris gemaald, en buiten om het horologie ziet men afbeeldingen van steden. Voorts een Geuzenpenning, zoo als die beschreven is bij van Loon d 1, pag 83, no 3. en in Bezot , Histoire Metallique de la republique de Hollande, pag. 1,2,3. Dit alles wordt gehouden voor het gewaad van wijlen Z.D. H. Willem den 1., den grondlegger van de Neérlands vrijen staat, gl. gedacht., hetwelk dien Vorst is uitgetrokken, na de moord aan hem gepleegd door Balthasar Gerards, in den jare 1584.
De kopij van het vonnis over dien snoodaard geveld ende uitgevoerd op den 14 julij van datzelfde jaar, en mede te vinden in Bor. Nederlandsche Oorlogen is hierbij gevoegd, teneinde uit hetzelve te zien, dat alles wat men hier aantreft, volkomen strookt met dit stuk.

Er staat dus helemaal niet dat de pistolen Balthasar Gerards hebben toebehoord, wel dat alles in de lessenaar Willem de Zwijger zou hebben toebehoord. Dit zou stroken met hetgeen in het vonnis over Balthasar Gerards is vermeld. Wel. Het Vonnis is bewaard en ligt in het archief van Delft. Lastig is dat het meer dan 400 jaar oud is en met de hand geschreven. Enkele foto’s van delen van het vonnis maken mij wel duidelijk dat het een hele puzzel is de tekst te reproduceren. Maar niet onmogelijk. Een transcriptie van dit vonnis is op internet (wiki) te vinden. Geen woord echter in deze tekst dat het aannemelijk maakt dat dit vonnis onomstotelijk zou bewijzen, dat de in de lessenaar tentoongestelde bezittingen van Willem van Oranje zouden zijn. Herlezing van het oorspronkelijke document staat dus op de agenda.

fidèle au Roy jusqu’ à la besace

Bovendien zal ik wel niet de enige zijn die uit dit vonnis teksten heeft gehaald, misschien is er nog wat over te vinden. Teleurgesteld verlaat ik de Kon. Bibl. Teleurgesteld omdat mijn eerste signaal, het boek van Ledeganck uiteindelijk dus helemaal niet blijkt te kloppen. Thuis vind ik een vernieuwde vertaling van Motley. De opkomst van de Nederlandsche republiek op internet. In het zevende hoofdstuk een heldendood staat over Willem de Zwijger het volgende;
Willem de Zwijger was dien dag, gelijk hij doorgaans placht, hoogst eenvoudig gekleed. Hij droeg een breedgeranden, slappen, donker vilten hoed, met een zijden bandje om den bol – zoo als de Geuzen in het eerste tijdperk van den opstand; een hooge geplooide kraag omgaf zijne hals, en hij had op de borst ook een Geuzenpenning hangen met het randschrift: fidèle au Roy jusqu’ à la besace; terwijl een wijde mantel van grijs friesch laken, over een bruin lederen wambuis, met een wijden uitgesneden broek zijne kleedij voltooide(2).
(2)De kleeding, die de prins in dit treurig uur droeg, is nog te zien op het Haagsch Museum.

Hieruit kunnen we opmaken hoe Willem I was gekleed ware het niet dat de voetnoot veronderstelt, dat hetgeen beschreven is ook een beschrijving kan zijn van wat in lessenaar 21 ligt. Daar hebben we niet veel aan maar een eindje verder staat;
en sprak drok met den burgemeester van Leeuwarden – den eenigen gast, die dit feestmaal bijwoonde – over de burgerlijke en godsdienstige zaken in Friesland(3)
(3)Historie Balthazars Geraerts een alias Serach enz.

historie Balthasars Geraerts

Met deze historie Balthasars Geraerts een alias Serach enz  wordt in de voetnoot bedoeld het boekje Historie Balthazars Gerard
alias Serach// die den Tyran van ‘t Nederlandt den Prince van Orangie doorschoten heeft: ende is daerom duer grouwelijcke ende vele tormenten binnen de Stadt van Delft openbaerlijck ghedoodt.

Dit boekwerk uit 1584 zelf is in datzelfde jaar nog vertaald in het Frans en Duits. Het geeft het verhaal van de aanloop, de moord, de vlucht, de gevangenneming, het verhoor en uiteindelijk de straf weer alsof het om een ooggetuigenis gaat. Wie de schrijver is, is niet geheel duidelijk, maar wie zich door het oude Nederlands en het gotische schrift heenworstelt vind op vele vragen antwoord. Dat worstelen, kan want het boek is gedigitaliseerd in 2011 en via de KB en Europeesche Bieb in te zien.
Wat er direct na de moord met de pistolen is gebeurd staat ook niet in dit boek, wel is er een gedetailleerde beschrijving van de folteringen die Gerards mocht ondergaan.  Ook zeer gedetailleerd is beschreven hoe de terechtstelling is verlopen. Hieruit citeer ik;

 

En als hy nu aenden staeck stondt gebonden/ so hebben die buelen oft hangdieuen het arme onnosel ende ontschuldich pistolet genomen/ daer hy op zijn vroom feyt mede volbracht hadde/ ende tselue ten aensien van hem op een aenbeelt der smissen met groote ijsere hameren ende met groote fortze ontstucken geslaghen. Daernae hebbense hen wederom gekeert tot onsen Balthazar / nu al geheel int gebedt ende tot Godt opgetogen wesende

Ofwel in meer hedendaags Nederlands
Terwijl hij aan de paal was gebonden, hebben de beulen of hangdieven het arme onnozele en onschuldige pistool genomen, omdat het ondanks die onschuld wel mede het feit volbracht had. Dit pistool hebben zij in het aangezicht van Balthasar Gerards op een aambeeld met grote ijzeren hamers en met grote kracht aan stukken geslagen. Daarna hebben zij zich weer tot Balthasar gekeerd, die ondertussen diep in gebed tot God was geraakt.

Terechtgesteld

Het pistool waarmee de moord is gepleegd is dus luttele dagen na de moord tegelijkertijd met de dader “terechtgesteld” in Delft.

Dat was één. Nu het andere pistool.
Hiervoor duiken we weer Motley in. Den volgenden ochtend kocht hij voor dat geld een paar zinkroeren van een soldaat van de wacht, met wien hij het eerst over den prijs niet eens kon worden, daar de verkooper hem geen gekapt lood of kogels kon bezorgen.

Bekijken wij het vonnis van 15 juli 1584 dan staat hier
hij gevangen gegaen is in zijn logement ende die twee cincqroers geladen hebbende, het eene met drie ende het andere met twee loden ofte bale, weder in ‘t hoff gegaen es, hebbende de twee cincqroers, hangende an zijn rijem op zijn ‘s lincker zijde onder zijn mantel, laetende zijn mantel van zijn rechter schouder neder hangen, opdat hij nyet en soude schijnen ijet onder zijn mantel geladen te hebben ende dat hy den voornoemden heere Prince, comende van der tafele ende uuyten salette gaende omme de trappen op te treden naar zijn camere het eene cincqroer ofte pistolet, met drije looden ofte balen geladen, op denselven heere Prince affgeschoten heeft, van welcke schote de voornoemde heere Prince (ten grooten leetwesen van allen goeden patrioten) gestorven is.

Hij is dus naar zijn logement gegaan en heeft daar de pistolen geladen. Het een met drie, het andere met twee kogels. De moord heeft hij gepleegd met het wapen met drie kogels. Het andere heeft hij niet gebruikt, tijdens de verhoren heeft Balthasar wel aangegeven dat hij het liefst die ook nog had leeggeschoten, maar de wachters gaven hem niet genoeg tijd.

Dat maakt het zeer aannemelijk dat hij tijdens zijn vlucht in ieder geval te weinig tijd heeft gehad om ook nog zijn tweede pistool te pakken, uitsluitend om het achter te laten. Hij zal dus zijn gevlucht met medenemen van zijn tweede wapen dat nog steeds aan zijn riem stak. Tijdens zijn vlucht is hij gevallen, volgens de ene bron over een loopjongen, volgens een andere versie over een baal hooi. Op dat moment is hij gepakt, waarschijnlijk in bezit zijnde van het tweede pistool. Wat daarmee uiteindelijk is gebeurd is nog een raadsel. Het vonnis van Balthasar besluit met;
verclarende alle syne goeden geconfisqueert ten proffijte van den Heer. Aldus gepronunchieert op ‘t Stadthuijs der stadt Delff, den 14den dach Julii anno 15 honderd vijer ende tachtich.

Als Balthasar inderdaad de pistolen van de wacht kocht zijn ze maar kort in zijn bezit geweest. Het voor de geschiedenis belangrijke pistool is vernietigd (lees. Terechtgesteld), het andere heeft hoegenaamd geen belang voor onze vaderlandse geschiedenis.

Een definitief einde?

Hiermee is er nu definitief een eind gekomen aan de zoektocht naar de pistolen uit het koninklijk kabinet der zeldzaamheden die volgens sommige bronnen aan Balthasar Gerards zou hebben toebehoord. Die pistolen zijn er nog en liggen ter bezichtiging in het Rijksmuseum van Amsterdam. Ze zijn gedateerd ca: 1650 en toegeschreven aan Willem Frederik. Het pistool waarmee de moord wel is gepleegd is aan stukken geslagen op de Markt dit onder de ogen van een gebonden Balthasar Gerards.

Theoretisch is het mogelijk dat het op de Markt vernietigde pistool niet het moordwapen was, maar het pistool dat op Balthasar Gerards is gevonden. Het werkelijke moordwapen zou dan nog kunnen bestaan. Maar zelfs als dat gevonden wordt is niet na te gaan of inderdaad deze verwisseling heeft plaatsgehad. Het zijn een van de raadselen waarmee wij moeten blijven leven. En dat laatste doen wij dan nog maar even. Even, totdat, er wellicht nog nieuwe informatie opduikt. Of zoals op verzoek een goede beschrijving van de verhoren (lees martelingen) en de voltrekking van de straf. Sommigen lichten namelijk nog wel eens een tipje van de sluier, anderen beperken zich tot de omschrijving gruwelijk. Daardoor wordt er ook nu nog de fantasie op losgelaten. Niet nodig dat laatste want er is genoeg over bekend.

Comments are closed.